Het gebeurde opnieuw. En opnieuw bij dezelfde familie. Ik werd gebeld door een bekende en nam, zoals zo vaak, op met: “Heee, wat moet je!?”Al snel drong het tot me door: dit was geen privételefoontje. Ze belden me zakelijk.
Terwijl ik luisterde naar het verhaal — vader lag in het ziekenhuis en het was duidelijk dat het om uren ging — kon ik mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Timing en toon doen ertoe, zeker in mijn vak.
Ondanks dat ik midden in mijn revalidatie zit, besloot ik deze familie bij te staan. Tegen vrienden zeg ik geen nee. We spraken af dat ik langs zou komen, omdat er een aantal zaken geregeld moesten worden.
Eenmaal aangekomen bleek het vermoeden van de familie te kloppen. Hun lieve (schoon)vader overleed enkele uren na aankomst in het ziekenhuis.
Samen met de weduwe, zonen en kleinkinderen gaven we vorm aan een afscheid dat bij hem paste. We besloten dat ik samen met mijn zorgteam meneer zou verzorgen en maakten een plan voor de uitvaart.
De dagen voorafgaand aan de uitvaart stonden in het teken van rouw, verwarring en allerlei emoties die door elkaar heen liepen. Ik zocht de familie regelmatig op. Om praktische zaken uit te leggen, maar vooral om te luisteren. Naar hun herinneringen. Hun verhalen. Hun verdriet.
Op de dag van de uitvaart was ik ruim op tijd bij de familie. De rouwauto arriveerde keurig op tijd en in een stoet reden we naar het crematorium. Daar nam de familie voor de laatste keer afscheid en sloten we samen de kist.
De dienst was mooi. Veel muziek, korte toespraken — precies zoals de overledene het had gewild.
Terugkijkend was het opnieuw bijzonder om dit te mogen doen. Werk dat raakt, elke keer weer.
Maar nu is het ook tijd om weer even pas op de plaats te maken. Terug naar de revalidatie.
En een les voor mezelf: beter opletten of iemand mij privé of zakelijk belt.
Een vrolijke “wat moet je” past niet bij een telefoontje waarin het leven even stil komt te staan.
Reactie plaatsen
Reacties